De uitspraken van minister van Begroting Vincent Van Peteghem over flexi-jobs en managementvennootschappen raken aan een terechte bezorgdheid: hoe financieren we onze sociale zekerheid op een duurzame en rechtvaardige manier?
De minister benoemt reële problemen. Flexi-jobs mogen niet uitgroeien tot een parallelle arbeidsmarkt waarin stabiele en kwaliteitsvolle banen steeds meer plaatsmaken voor goedkopere en fiscaal voordeligere formules. Maar ook managementvennootschappen mogen niet worden herleid tot instrumenten waarmee hoge inkomens hun fiscale bijdrage beperken.
Maar wie alleen die systemen aanpakt, bestrijdt vooral de symptomen. De onderliggende oorzaak is veel fundamenteler: gewone arbeid wordt in ons land nog altijd buitensporig zwaar belast.
Flexi-jobs kunnen in bepaalde sectoren en tijdens specifieke periodes een nuttige versterking zijn. Maar dat betekent niet dat ze altijd en overal een meerwaarde bieden. Wat tijdens drukke periodes in de horeca in theorie kan beantwoorden aan een reële behoefte, is bijvoorbeeld niet automatisch aangewezen in een sector als de petrochemie of de bank-of verzekeringssector om er maar enkele te noemen. Tegelijk moeten we, óók in sectoren waar flexi-jobs vanuit een concrete behoefte zijn ontstaan, kritisch blijven kijken naar hun werkelijke gevolgen. De recente evaluatie van de flexi-jobs, uitgevoerd door het Rekenhof, het Federaal Planbureau en de Nationale Arbeidsraad, bevat bijvoorbeeld aanwijzingen dat ze in de horeca deels in de plaats zijn gekomen van reguliere banen. Dat toont aan dat zelfs een systeem dat aanvankelijk inspeelt op tijdelijke pieken, op termijn reguliere tewerkstelling kan verdringen.
Daarom moeten we werk maken van sociale ratio’s voor flexi-jobs. Daarmee bedoelen we duidelijke grenzen aan het aandeel flexibel werk dat binnen een sector kan worden ingezet, waaronder ook flexi-jobs. Zo vermijden we dat een uitzonderingsregime geleidelijk de reguliere tewerkstelling verdringt.
Die grenzen moeten rekening houden met de realiteit van elke sector. Is er écht sprake van tijdelijke piekbelasting? Kan de personeelsnood niet via reguliere tewerkstelling worden opgevangen? Leveren flexi-jobs een echte meerwaarde op voor werknemers en ondernemingen? En wat zijn de gevolgen voor de kwaliteit en stabiliteit van de bestaande jobs? Het antwoord op die vragen zal niet in elke sector hetzelfde zijn.
Wanneer een sector te sterk afhankelijk wordt van flexibele arbeid, moet daar bovendien een consequentie tegenover staan. Wie de arbeidsmarkt structureel met flexibel werk belast, zou bijvoorbeeld ook meer kunnen bijdragen aan de financiering van de sociale zekerheid. Sociale ratio’s mogen met andere woorden geen vrijblijvende aanbevelingen zijn, maar moeten gepaard kunnen gaan met een concrete financiële responsabilisering.
De sociale partners kennen de realiteit op het terrein het best. Net daarom is het problematisch dat flexi-jobs eerst algemeen worden opengesteld en achteraf alleen nog met het akkoord van de werkgevers kunnen worden uitgesloten. Dat plaatst werknemersorganisaties meteen in een zwakke onderhandelingspositie.
De logica zou moeten worden omgedraaid: flexi-jobs mogen pas worden ingevoerd wanneer daar binnen een sector een aantoonbare behoefte en voldoende sociaal draagvlak voor bestaan. De sociale partners moeten ze vervolgens gericht kunnen omkaderen en beperken. Wanneer flexi-jobs te ruim worden ingezet, dreigen ze de arbeidsmarkt te ontwrichten en reguliere jobs te verdringen. De recente vaststellingen in de horeca tonen dat het risico op verdringing niet louter theoretisch is.
Tegelijk moeten we eerlijk zijn over waarom flexi-jobs zo populair zijn. De meeste mensen kiezen niet voor een flexi-job vanwege de flexibiliteit, maar omdat ze er minder belastingen op betalen. Voor werkgevers draait het natuurlijk wel om flexibiliteit. Maar ik bekijk de kwestie liever vanuit het standpunt van de werknemers. Nogal logisch toch?
Wanneer mensen een uitzonderingsstatuut nodig hebben om aantrekkelijk te kunnen bijverdienen, moeten we ons afvragen waarom een extra uur werken binnen het gewone fiscale systeem zo weinig oplevert.
Dit systeem creëert zeer vreemde prikkels. Het kan fiscaal aantrekkelijker worden om in de gewone job 4/5e te gaan werken en de vrijgekomen dag elders via een flexi-job in te vullen. Dat is moeilijk uit te leggen. Een fiscaal uitzonderingsregime mag mensen er niet toe aanzetten om reguliere arbeidsuren in te ruilen voor goedkoper belaste uren elders.
Dezelfde onderliggende fiscale scheeftrekking vinden we terug bij managementvennootschappen. Die kunnen een legitieme functie vervullen bij ondernemerschap, investeringen en het nemen van risico’s. Maar ze mogen geen instrument worden waarmee inkomsten die in werkelijkheid uit arbeid voortkomen veel voordeliger worden belast dan het loon van een werknemer.
Flexi-jobs en managementvennootschappen lijken twee heel verschillende dossiers, maar zijn uiteindelijk twee kanten van hetzelfde fiscale probleem. Werknemers zoeken fiscaal voordelige manieren om iets bij te verdienen. Bepaalde hoge inkomens organiseren hun inkomsten via structuren waarmee ze hun fiscale bijdrage kunnen verlagen.
De context en de bedragen verschillen, maar de boodschap is dezelfde: het reguliere belastingstelsel maakt gewone arbeidsinkomsten onvoldoende aantrekkelijk en behandelt verschillende soorten inkomsten onvoldoende evenwichtig.
Toch moeten we ook realistisch zijn: alleen de belasting op arbeid verlagen, zal hogere inkomens er niet automatisch van weerhouden om hun inkomsten in een managementvennootschap onder te brengen. Zolang de onderliggende mechanismen die zulke vennootschappen fiscaal aantrekkelijk maken blijven bestaan, zal het vanaf een bepaald inkomensniveau voordeliger blijven om via een vennootschap te werken.
Daarom zijn ook specifieke maatregelen nodig tegen het oneigenlijke gebruik van managementvennootschappen. We moeten vermijden dat inkomsten die in wezen voortkomen uit arbeid via een vennootschap veel voordeliger kunnen worden belast dan het loon van een werknemer. De fiscale voordelen moeten beter aansluiten bij reëel ondernemerschap, investeringen en het daadwerkelijk nemen van risico’s.
Wie die scheeftrekkingen echt wil aanpakken, mag zich daarom niet beperken tot het aanpassen van afzonderlijke regimes. Elke uitzondering die wordt afgeschaft zonder het basissysteem te hervormen, dreigt elders opnieuw een nieuwe uitzondering of ontwijkingsroute te creëren.
Daarom blijft SYNOVA pleiten voor een progressieve Dual Income Tax. Zo’n hervorming verlaagt de fiscale druk op arbeidsinkomsten en zorgt tegelijk voor een evenwichtigere bijdrage uit vermogensinkomsten.
Die progressieve Dual Income Tax is een overkoepelend en structureel voorstel, maar geen vervanging voor gerichte maatregelen. Voor flexi-jobs zijn sociale ratio’s en een sectorale omkadering nodig. Voor managementvennootschappen moeten we rechtstreeks ingrijpen op de mechanismen die het fiscaal aantrekkelijk maken om arbeidsinkomsten via een vennootschap te laten verlopen.
Het doel is niet ondernemerschap of investeren te bestraffen. Het doel is arbeid opnieuw aantrekkelijk te maken, de fiscale rechtvaardigheid te versterken en te vermijden dat we steeds nieuwe uitzonderingsregimes en fiscale constructies nodig hebben.
Als we onze welvaartsstaat willen beschermen, moeten we er in de eerste plaats voor zorgen dat werken opnieuw voldoende loont. Dat is het beste antwoord op de ontsporingen die we vandaag zien, zowel bij flexi-jobs als bij managementvennootschappen.
Maar tegelijk moeten we ook de specifieke achterpoortjes en voordelen aanpakken die het oneigenlijke gebruik van die systemen in stand houden.
Wie alleen de symptomen bijstuurt, zal telkens nieuwe symptomen zien ontstaan. Het is tijd om eindelijk de oorzaak aan te pakken.